Tegen het einde van de negentiende eeuw begon Amerika op het gebied van kunst, wetenschap en filosofie een eigen taal te spreken. De eerste, die dat in de wijsbegeerte deed was William James, de stichter van het Amerikaanse pragmatisme en de eerste Amerikaanse filosoof van internationale betekenis.

James werd in 1842 te New York geboren. Hij was een oudere broer van de schrijver Henry James. Hij studeerde in Frankrijk. Daarna doceerde hij van 1872 tot aan zijn dood (1910) aan de Harvard universiteit. Hij doceerde eerst anatomie en psychologie. Zijn in 1890 verschenen Beginselen van de psychologie is een van zijn bekendste werken. Dan volgde zijn overgang naar de filosofie. Zijn belangrijkste geschriften zijn: De wil tot geloven, Vormen van religieuze ervaring, Een pluralistisch heelal, De zin van de waarheid. 

De het meest naar voren tredende – niet de enige – trek in James' wijsbegeerte is het pragmatisme. James zelf definieert het als de geestelijke 'houding die van eerste dingen, principes, categorieën en vermeende noodzakelijkheden afziet en zich op de "laatste" dingen, resultaten, gevolgen en feiten richt'. Het kenmerkende in het pragmatisme is zijn bijzonder waarheidsbegrip. Nut, waarde, succes zijn de criteria van de waarheid. Het pragmatisme vraagt niet naar het laatste 'wezen' van de dingen, zoals de scholastiek en de oude metafysica (James wijst ook de Duitse idealistische speculatie volstrekt van de hand). Hij vraagt niet naar de laatste oorsprong. Hij 'verplaatst het accent en kijkt vooruit'. Hij vraagt: wat is de kaswaarde van een voorstelling? Zulke typisch Amerikaanse uitdrukkingen als 'profits' (profijt), 'results' (resultaten) komen bij James herhaaldelijk voor. "'Waar" is datgene wat door de praktische gevolgen wordt waargemaakt.' James werd tot deze opvatting van het waarheidsbegrip gebracht door het werk van de Amerikaan Charles S. Pierce (1839-1914), die dus in zoverre als zijn voorganger wordt beschouwd. Het begrip pragmatisme heeft Pierce aan het werk van Kant ontleend.


James belichaamde de neiging van zijn volk tot het onmiddellijke, tegenwoordige en praktische. Wat betekent nu dit pragmatisme, toegepast op de filosofie? Ook tot iedere filosofie moet niet de vraag worden gericht: Is dat 'logisch'? Is dat 'waar'?, maar: wat zal de praktische toepassing van deze filosofie voor ons leven en voor onze belangen betekenen? Een filosofie – laat zij nog zo consequent en goed verantwoord zijn, zal door de mens nooit worden aanvaard, als zij zijn dierbaarste wensen en liefste verwachtingen doorkruist en ontgoochelt, indien zij niet met zijn innerlijke krachten en neigingen strookt en indien zij niet haar deugdelijkheid in het praktische leven, in de strijd om het bestaan en ten aanzien van de natuur bewijst. 'Logica en predicaties overtuigen nooit; de nevelen van de nacht dalen des te dieper in mijn ziel... Dan onderzoek ik opnieuw filosofieën en godsdiensten. Zij mogen zich al in de gehoorzaal prachtig voordoen, maar nooit onder de uitgebreide wolkenmassa's, tegenover een landschap of stromende rivieren.'

Dat geldt dus ook voor de godsdienst. 'Zou er een voorstelling zijn die, als men daarin geloofde, ons kon brengen tot het leiden van een beter leven, dan zou het echt beter zijn voor ons in deze voorstelling te geloven; tenzij het geloof daarin met andere grotere vitale belangen in botsing zou komen.' 

Het springt duidelijk in het oog dat het waarheidsbegrip van het pragmatisme in een besliste tegenstelling staat tot de traditionele opvatting van de waarheid als adequatio intellectus et rei (overeenstemming tussen de kennende geest en de zaak), zoals de Westerse filosofie, inclusief Kant, die steeds had vastgehouden.

Naast dit pragmatisme kunnen wij in het denken van James nog minstens drie andere belangrijke trekken onderscheiden: 

  1. De eerste zou men 'dynamisme' kunnen noemen. De wereld is niet iets dat af is, maar een onophoudelijk worden. Ook ons denken is een stroom, een vlieten, een systeem van betrekkingen.
  2. De tweede noemt James 'pluralisme'. De wereld kan niet uit één beginsel worden verklaard. De werkelijkheid bestaat uit vele, zelfstandige gebieden. Zij is geen 'uni-versum, maar een multi-versum'. In zo'n wereld, die het toneel van ei weerstrevende krachten is, heeft de mens de mogelijkheid wil en zijn eigen krachten in de strijd te brengen. Hij ka palend ingrijpen. Het veelheidskarakter van de wereld c beter recht aan het polytheïsme van de oude volken, 'dat Ste de werkelijke religie van het volk is geweest, en het heden is', dan welk monisme of monotheïsme ook. 
  3. De derde trek is een zekere, ook echt Amerikaanse, zich voor alle mogelijkheden openstellende, sceptische onbevangenheid. Wie zal beweren dat zijn inzicht, of dat in het algemeen of menselijke wijze van kennen, de enig mogelijke en enig geld is? 

'Ik zelf verwerp beslist het geloof dat onze menselijke ervaring de hoogste vorm van ervaring, die er in de wereld bestaat zou zijn. Eerder ben ik van mening dat wij tot het geheel van de wereld in ongeveer dezelfde betrekking staan als onze lievelingshonden en -katten tot het geheel van het menselijk leven. Zij bevolken onze woonkamers en bibliotheken. Zij treden slechts in voorbijgaand, even aanrakend contact met de ingewikkelde loop van de geschiedenis... Op dezelfde wijze komen wij met het totale leven van de dingen slechts rakelings in aanraking...'

 

Make a Free Website with Yola.